De Wet Bestuur en Toezicht rechtspersonen treedt naar verwachting per 1 januari 2016 in werking. Als gevolg daarvan zal het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen wijzigen.
Huidige recht
Onder het huidig recht kunnen bestuurders van stichtingen en verenigingen zowel intern als extern aansprakelijk worden gesteld.
Bestuurders van stichtingen en verenigingen kunnen jegens de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld wanneer zij hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 lid 2 BW).
De vraag of sprake is van een ernstig verwijt moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij rekening kan worden gehouden met:
- de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
- de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s,
- de taakverdeling binnen het bestuur,
- de informatie waarover het bestuur beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de haar verweten beslissingen of gedragingen en
- het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze met nauwgezetheid vervult.
Het bestuur is als collectief verantwoordelijk voor het gevoerde beleid. Dit betekent dat iedere bestuurder in beginsel voor het geheel aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door het onbehoorlijk bestuur.
Behalve intern kan ook sprake zijn van externe bestuurdersaansprakelijkheid. Onder omstandigheden kunnen bestuurders van stichtingen en verenigingen aansprakelijk zijn jegens derden. Dit kan het geval zijn wanneer de rechtspersoon niet is ingeschreven in het Handelsregister (artikel 2:289 lid 2 BW) of jegens derden onrechtmatig handelt (art. 6:162 BW). Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en de crediteur achterlaat zonder verhaalsmogelijkheden.
Ten aanzien van toezichthoudersvoorziet de huidige wet niet in een vergelijkbare bepaling als voor bestuurders van stichtingen en verenigingen (artikel 2:9 BW).
Toezichthouders kunnen echter onder omstandigheden toch aansprakelijk zijn voor een onbehoorlijke vervulling van hun toezichthoudende taak, namelijk wanneer zij:
(i) in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld (artikel 2:8 BW);
(ii) onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun toezichthoudende taak onbehoorlijk hebben hervuld en hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De mogelijkheden tot externe aansprakelijkheidstelling van toezichthouders van stichtingen en verenigingen zijn beperkt. Slechts onder bepaalde omstandigheden zal aansprakelijkheid kunnen worden aangenomen. De gedachte hierachter is dat de taak van toezichthouders beperkter is dan de taak van de bestuurders. Het bestuur bepaalt het dagelijks beleid. Toezichthouders niet. De rol van de toezichthouder richt zich in het algemeen op de naleving van wet- en regelgeving, het monitoren van bestuursbeleid en advisering aan het bestuur.
Toekomstig regime
Met het wetsvoorstel Bestuur en Toezicht Rechtspersonen wordt, onder meer, beoogd:
- een nieuw extern aansprakelijkheidsregime te introduceren voor bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen die in faillissement verkeren;
- de norm waar bestuurders zich bij de vervulling van hun taak naar moeten richten te uniformeren. Voor alle rechtspersonen geldt straks dezelfde (interne) aansprakelijkheidsnorm: indien de bestuurder of toezichthouder zijn taak niet behoorlijk uitvoert en hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt is hij aansprakelijk voor de schade die de rechtspersoon daardoor lijdt;
- de aansprakelijkheidsgrond van artikel 2:138 BW te verplaatsen naar de Faillissementswet waardoor ook bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen verkerend in faillissement onder omstandigheden aansprakelijk kunnen zijn voor het boedeltekort. Voorgesteld wordt om de huidige regeling ten aanzien van hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders en leden van het toezichthoudend orgaan voor het tekort in de boedel in geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is van een faillissement te verplaatsen naar het (nieuwe) artikel 106a Faillissementswet. Deze regeling gold reeds voor NV’s, BV’s en de zogenaamde commerciële stichtingen en verenigingen, maar zal na verplaatsing naar de Faillissementswet dus ook op de niet-commerciële verenigingen en stichtingen van toepassing zijn;
- een nieuw wetsartikel (art 2:9a BW) te introduceren op grond waarvan toezichthouders jegens de rechtspersoon gehouden zijn tot een behoorlijke vervulling van de aan hen toekomende taak en zich daarbij hebben te richten naar het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden organisatie (lid 1). Toezichthouders zullen op grond van het nieuwe artikel 2:9a BW slechts aansprakelijk kunnen worden gehouden wanneer hen een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Van een toezichthouder wordt niet verwacht dat zij op de directiestoel plaatsneemt. Dit neemt niet weg dat van de leden van het toezichthoudend orgaan een actieve rol wordt verwacht. Een behoorlijke vervulling van de taak van een toezichthouder brengt met zich dat indien het bestuursbeleid en de gang van zaken daartoe aanleiding geven de toezichthouder zijn toezicht moet intensiveren en actiever zal moeten optreden.
Als gevolg van de verplaatsing van de aansprakelijkheidsgrond ex artikel 2:138 BW naar de Faillissementswet kunnen in bepaalde omstandigheden in het nieuwe regime dus ook toezichthouders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen die in faillissement verkeren aansprakelijk worden gehouden voor het boedeltekort.
Kortom, de nieuwe wetgeving brengt een behoorlijke verzwaring van het aansprakelijkheidsrisico van toezichthouders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen met zich. Wat betreft de bestuurders zullen alleen de aansprakelijkheidsrisico’s van bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen worden vergroot.
