Hoge Raad: verrekeningsverbod art. 54 Fw staat in de weg aan verrekening NOW-subsidie — nieuwe bankuitzondering afgewezen

Inleiding

Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de reikwijdte van artikel 54 lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Zodra een bank weet of behoort te weten dat het faillissement van haar rekeninghouder te verwachten is, mag zij binnengekomen betalingen niet meer verrekenen met haar eigen vordering op die rekeninghouder. Dat geldt ook als die bedragen daarna direct worden gebruikt voor uitgaande betalingen vanaf dezelfde rekening. In dit artikel wordt nader ingegaan op de achtergrond van het arrest en de rechtsgevolgen voor de praktijk.

Achtergrond

De zaak betreft een café-restaurant dat door de coronapandemie in ernstige financiële moeilijkheden raakte. De onderneming werd gefinancierd door Rabobank met een kredietlimiet van € 25.000. Als zekerheid was onder meer een stil pandrecht op toekomstige vorderingen verstrekt. Tussen de onderneming en Rabobank bestond een rekening-courantverhouding in de zin van artikel 6:140 BW, op grond waarvan inkomende en uitgaande betalingen automatisch werden verrekend. Op 14 april 2020 werd een NOW-subsidie van € 15.478 bijgeschreven op de rekening van de onderneming. Vóór die bijschrijving bedroeg het saldo reeds -€ 25.569,94; door de bijschrijving en de daaropvolgende verrekening in rekening-courant daalde het debetsaldo naar -€ 10.091,94. Ten tijde van die bijschrijving was Rabobank reeds niet meer te goeder trouw in de zin van artikel 54 Fw — het peilmoment lag al vóór 14 april 2020. De onderneming diende op 17 april 2020 zelf een verzoekschrift tot faillietverklaring in; het faillissement werd op 21 april 2020 uitgesproken. In de tussenliggende periode voerde Rabobank nog betalingsopdrachten uit in opdracht van de onderneming, waardoor het debetsaldo opliep van -€ 10.091,94 tot -€ 23.493,78. De curator verzocht Rabobank het volledige NOW-bedrag aan de boedel af te dragen en vorderde in de procedure in totaal € 15.748. Rabobank betaalde slechts € 2.076,16.

Verrekeningsverbod ex artikel 54 lid 1 Fw

Artikel 54 lid 1 Fw beperkt de mogelijkheid tot verrekening wanneer iemand vóór faillietverklaring een schuld aan of een vordering op de schuldenaar van een derde heeft overgenomen, terwijl hij daarbij niet te goeder trouw was. Van goede trouw is geen sprake als degene die wil verrekenen wist of behoorde te weten dat het faillissement van de schuldenaar te verwachten was. Dat moment wordt aangeduid als het peilmoment. Wanneer een derde betaalt op de bankrekening van een rekeninghouder, wordt de bank door creditering van die rekening schuldenaar van de rekeninghouder. Volgens vaste rechtspraak (HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:1, Amro Bank/THB) wordt deze creditering voor de toepassing van artikel 54 Fw aangemerkt als — dan wel gelijkgesteld met — een schuldoverneming door de bank. Was de bank op dat moment niet te goeder trouw, dan verzet artikel 54 Fw zich ertegen dat zij de aldus ontstane schuld verrekent met haar eigen vordering op de rekeninghouder. De achterliggende gedachte is dat het girale betalingsverkeer banken geen uitzonderingspositie mag verschaffen om zich door middel van verrekening afzonderlijk te verhalen op hetgeen zij aan de schuldenaar schuldig zijn geworden in het zicht van diens faillissement of surseance van betaling. Dit argument is door de Hoge Raad mede ten grondslag gelegd aan de gelijkstelling van creditering met schuldoverneming.

Het oordeel van het hof en de Hoge Raad

De rechtbank oordeelde dat artikel 54 Fw in beginsel aan verrekening door Rabobank in de weg kon staan, maar wees de vorderingen van de curator af omdat naar haar oordeel niet vaststond dat Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw. In hoger beroep hebben partijen procesafspraken gemaakt op grond waarvan gold dat Rabobank al vóór 14 april 2020 niet meer te goeder trouw was. Daarmee verschoof de discussie volledig naar de materiële vraag of het verrekeningsverbod ook geldt voor zover de binnengekomen betaling daarna is aangewend voor uitgaande betalingsopdrachten. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en creëerde daartoe een nieuwe uitzondering op artikel 54 Fw: dat artikel stond weliswaar in beginsel aan verrekening in de weg, maar niet voor zover de inkomende betaling daarna werd gebruikt voor uitgaande betalingsopdrachten. Van ongerechtvaardigde bevoordeling zou in dat geval geen sprake zijn. Bovendien zou strikte toepassing banken ertoe aanzetten eerder de financiering te beëindigen of betalingsopdrachten te staken, hetgeen schadelijk zou zijn voor zowel de schuldenaar als de gezamenlijke schuldeisers.

Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt de redenering van het hof. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak — waaronder HR 8 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0457 (Loeffen q.q./Bank Mees & Hope), Amro Bank/THB, HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137 (ING/Gunning q.q.) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Eurocommerce) — bevestigt de Hoge Raad de kernregel:

“In de rechtspraak is aldus aanvaard dat de bank zich na het moment waarop zij niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw niet op verrekening mag beroepen ten aanzien van betalingen die binnenkomen op de rekening die de schuldenaar bij de bank aanhoudt. Er is geen aanleiding om hierop een uitzondering te aanvaarden voor het geval dat de bank na dat peilmoment uitgaande betalingen van die rekening heeft verricht.”

Het hof creëerde een nieuwe uitzondering zonder wettelijke grondslag en week daarmee af van vaste rechtspraak. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

De pandrechtuitzondering

Op het verrekeningsverbod van artikel 54 Fw bestaat een in de rechtspraak erkende uitzondering, gebaseerd op HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641 (Mulder q.q./CLBN): het verbod geldt niet indien de inkomende betaling betrekking heeft op een vordering die aan de bank is verpand. In de onderhavige zaak gold in cassatie als vaststaand uitgangspunt dat Rabobank geen pandrecht had verkregen op de vordering van de onderneming op het UWV uit hoofde van de toegekende NOW-subsidie. De pandrechtuitzondering was daardoor in deze zaak feitelijk niet aan de orde; de Hoge Raad laat haar inhoudelijk onbesproken en spreekt zich niet uit over haar reikwijdte of geldigheid (zie in dit verband echter Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897). Voor de praktijk is dit een cruciaal onderscheid. Valt een toekomstige vordering — zoals een subsidie of een debiteurenbetaling — onder het stille pandrecht van de bank, bijvoorbeeld via een verzamelpandakte, dan heeft de bank op grond van de Mulder q.q./CLBN-uitzondering mogelijk een sterkere positie dan in de situatie die aan dit arrest ten grondslag lag. Of en in hoeverre die uitzondering onverminderd geldt, is in dit arrest niet opnieuw beoordeeld.

Betekenis voor de praktijk

Dit arrest bevestigt de beschermingswerking van artikel 54 Fw ten gunste van de boedel en daarmee van alle schuldeisers gezamenlijk. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om op het verrekeningsverbod een uitzondering te aanvaarden voor de situatie die het hof voor ogen stond; de kernregel dat binnengekomen betalingen na het peilmoment niet mogen worden verrekend, geldt onverminderd. Voor de dagelijkse praktijk geldt het volgende:

  • Controleer welke vorderingen u aan uw bank heeft verpand. Bij een geldig stil pandrecht op de betreffende vordering — gebaseerd op de Mulder q.q./CLBN-uitzondering — geldt mogelijk een andere regel dan bij een onverpande vordering.
  • Houd er als ondernemer in financieel zwaar weer rekening mee dat inkomende subsidies, debiteurenbetalingen en overige ontvangsten op uw bankrekening na het peilmoment niet door de bank mogen worden verrekend. Indien de curator met succes een beroep doet op artikel 54 Fw, is de bank gehouden dergelijke bedragen aan de boedel af te dragen — afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden, waaronder de vaststelling van het peilmoment en de aan- of afwezigheid van een geldig pandrecht.
  • Bent u bestuurder van een onderneming in financiële moeilijkheden? Wees u bewust van het peilmoment — vanaf dat moment gelden strikte regels voor de verrekeningsbevoegdheid van de bank ten aanzien van uw bankrekening. Het girale betalingsverkeer biedt de bank na dat moment geen grondslag meer voor verrekening.

Wilt u advies over wat dit arrest concreet betekent voor uw onderneming of uw positie als schuldeiser? Neem dan contact op met ons team Insolventierecht.

meer weten over onze expertises?

auteur(s)

Pieter van der Bom

deel dit artikel

gerelateerde artikelen

We nemen binnen een werkdag contact met u op